skip to Main Content
Hynobius dunni. Foto door Henk Wallays

Kweekervaringen met Hynobius dunni

Henk Wallays, 2002. Kweekervaringen met Hynobius dunni
pag. 11 -14; uit: BOUWMAN, A. S. BOGAERTS (samenstelling en redactie),
2002. Salamanders. Jubileumbundel. Uitgave: Salamandervereniging.
ISBN 90-9016241-0.

Kenmerken

De vaal geelgroene kleur van deze salamanders doet denken aan H. nebulosus. H. dunni wordt echter groter: de totale lengte van volwassen dieren varieert van 10 tot 16,5 cm en de kop-romp lengte ligt tussen de 6 tot 8 cm. Het lichaam is gewoonlijk bezet met vele ronde zwarte vlekken. Ik heb de indruk dat bij het ouder worden deze vlekken verdwijnen. H. dunni bezit – in tegenstelling tot H. nebulosus – geen gele lijn op de staart. In de voortplantingstijd kleurt de staart helemaal geel. Doorgaans bezit H. dunni 12, maar soms 11 ribgleuven. Volgens literatuur kan H. dunni tot 16 jaar oud worden. Mijn adulte groep is momenteel 7 jaar en ik hoop dan ook nog enkele jaren plezier te kunnen beleven aan deze salamanders.

Verspreiding

Verspreiding H. dunni. Bron: Amphibiaweb

Hynobius dunni komt voor in Japan op de eilanden Sjikokoe (in de streek Kouchi-ken) en Kioesjoe (in de streken Ohita-ken, Miyazaki-ken, Kumamoto-ken). Daar wordt deze salamander ‘Ohita sansyou-uo’ genoemd.

Ecologische gegevens

H. dunni is bekend uit laag- en heuvelland en leeft in secundaire bossen of bamboewouden. De voortplanting gebeurt in vijvers, moerassen, poeltjes en waterstroompjes langs rijstvelden. Bij voorkeur worden die watertjes gebruikt waarin dode bladeren en takjes aanwezig zijn. De voortplantingsperiode start in december en loopt tot het einde van april, waarbij de piek zich in februari voordoet. Buiten deze periode leven de salamanders op land onder stenen en tussen bladafval (SENGOKU, 1979). Door de vernietiging van hun broedplaatsen, voor de constructie van woningen, wordt deze soort langzamerhand bedreigd. Eind 1999 kwamen deze salamanders dan ook op de Japanse rode lijst terecht en kregen als status ‘kwetsbaar’ (Ikeda & Kawamura, pers. mededeling). Daarom werd in dat zelfde jaar ook besloten tot het bijhouden van een stamboek om deze soort voor de terrariumhouderij te behouden.

Inrichting van de bak

De salamanders zijn gehuisvest in een aqua-terrarium, waarvan de afmetingen van de bodem 140x 50 cm zijn. De bodembedekking bestaat uit gewassen Rijnzand. De waterhoogte ligt op 10 tot 12 cm. Tweederde van de bak bestaat uit een eiland van op elkaar gestapelde snelbouwstenen. Deze worden gebruikt voor isolatiedoeleinden en vertonen vele lange luchtopeningen. Door de capillaire werking van deze stenen wordt het water opgezogen tot in de bovenste regionen. Op deze stenen ligt een laag spaghnum/mos van ongeveer 10 cm dik. Mede door de vochtigheid van de natte stenen en condensatie kan dit groene tapijt zich voorzien van het nodige vocht. Deze dikke plantenlaag speelt tevens een rol als temperatuurbuffer. Op het mos liggen her en der stukken boomschors. Voedseldieren blijken zich in deze opzet behoorlijk lang te kunnen handhaven. Pissebedden plantten zich zelfs voort in de bak. De bak is geplaatst in een geïsoleerd tuinhuis. Een plexiglazen plaat in het dak van het tuinhuis zorgt voor het nodige en natuurlijke licht. Er wordt geen kunstmatig licht gegeven. Gedurende de winter kan de temperaturen dalen tot rond het vriespunt.

Aangezien de eizakjes van H. dunni aan takken worden afgezet in het water is het raadzaam te zorgen voor voldoende (dode !) takken in de waterpartij. Deze worden zo gepositioneerd dat ze gedeeltelijk parallel lopen met het wateroppervlak. De dikte is belangrijk aangezien deze het gewicht van meerdere salamanders moet kunnen dragen. Voor zijn studie omtrent de voortplanting van de robuuste H. retardatus vermeldt SATO (1992) een dikte tot 1,3 cm. Ook bij mij werd zowel door H. dunni als H. retardatus een dergelijke dikke tak uitgekozen, die door vrouwtjes worden gebruikt voor de eiafzet en een rol speelt bij het (eventuele) territoriale gedrag van mannetjes.

Gedrag in gevangenschap

Groep mannetjes van Hynobius dunni (foto: Henk Wallays).

H. dunni leeft vrij verscholen en is pas actief bij temperaturen onder 14 °C, waardoor activiteit voornamelijk in de lente en herfst plaats vind. In deze perioden vindt men de salamanders tijdens de avondschemering in de waterpartij. Tijdens de zomer en winter verblijven ze op zeer vochtige plaatsen op het landgedeelte. De salamanders houden zich vaak op in de eerder aangehaalde isolatieholten. Bij voorkeur in die openingen die deels in het water steken. Mijn inziens doet zich buiten de voortplantingstijd een omgekeerde relatie voor tussen leeftijd en de aanwezigheid in het water: jongere dieren zijn buiten de voortplantingsperiode regelmatig in het water te zien en volwassen dieren verblijven in deze periode vooral op het land.

Voedsel

H. dunni is in zijn voedsel niet kieskeurig. Het zijn gretige afnemers van regenwormen, vliegenmaden, buffalowormen, rode muggenlarven, pissebedden, duizendpoten e.a. insecten Het veelvuldig voeren tijdens de rustperiode, leidt al snel tot ‘ronde’ dieren. Ze eten, doch verbruiken wegens hun traagheid, bijna niets. In tegenstelling met veel andere salamanders worden naaktslakken niet gegeten. Dit feit doet zich ook voor bij andere Hynobius soorten die ik verzorg.

Voortplanting

MASHIBA (1969) meldt dat de eiafzet bij 9°C plaatsvindt Zijn grafieken tonen aan dat de afzet gebeurt bij die dalende temperaturen die volgen op een voorgaande warmtepiek. De lengte van de eizakken is 15 tot 30 cm. De bij mij afgezette eizakken waren kleiner. Een legsel bevat circa 80 tot 140 eitjes. Zoals ook bij andere Hynobius soorten trekken de mannetjes het eerst het water in, dit gebeurde bij mij bij temperaturen rond de 5°C.

Op 18 maart 2001, een zonnige dag, kon ik enkele waarnemingen verrichten aan het paargedrag van H. dunni. Omstreeks 13.00 u. noteerden ik drie zeer actieve mannetjes. De mannetjes hadden een lichte vlek op de keel, die bij het op één na grootste dier feller van kleur was als bij de beide andere mannetjes. De mannetjes bewogen zich over de bodem en hadden vooral veel oog voor de takkenpartij in het water. Dit noem ik de wandelfase. Van tijd tot tijd klommen de mannetjes tussen de takken en hadden hierbij de meeste interesse voor die takken die zich net onder het wateroppervlak bevonden. Dit noem ik de klauterfase. In tegenstelling met de andere mannetjes klauterde het dier met de meest duidelijke vlek op de keel niet enkel over de takken, maar zocht met regelmatige tussenpauzen steeds een zelfde tak op. Deze liep op het einde parallel met het wateroppervlak.

Hynobius dunni met eizak. Foto door Henk Wallays

THORN (1991) meldt dat H. retardatus voor het afzetten van het legsel ook een voorkeur vertoont voor een horizontaal hangende worteltak. Het mannetje haakte zich soms met een voor- en achterpoot lateraal vast aan de tak en zwaaide hierbij vrij rustig met zijn staart heen en weer. Door de ligging van de tak kwam de bovenzijde van de heen en weer bewegende staart soms boven het water uit, waardoor het water in beweging kwam. Het moedwillig storen van het stille wateroppervlak door het staartzwaaien is ook van andere Hynobius soorten gemeld, zoals van H. nigrescens (USUDA, 1995). Tijdens het staart waaieren richtte het mannetje zijn keel neerwaarts en blies als het ware zijn verbrede keel op. Hierdoor werd de lichte keelvlek van de bodem duidelijker zichtbaar. Deze fase noem ik de lokfase.

Als hierop van vrouwelijke zijde geen reactie kwam liet het mannetje zich terug van de tak glijden om te vervallen in de wandelfase of wreef hij met zijn cloaca over de tak op de plaats waar hij het lokgedrag had uitgevoerd. Dit gedrag noem ik de markeerfase. Indien op de markeerfase geen vrouwtje reageerden, verviel het dier terug in de wandelfase. De volledige cyclus (wandel-, klauter-, lok- en markeerfase) werd een paar keer na elkaar herhaald zonder dat er een vrouwtje op reageerden.

Ongeveer om de 10 minuten verviel het mannetje terug in de lokfase. Als de mannetjes een vrouwtje waarnamen trok dit duidelijk hun belangstelling. Het vrouwtje werd dan veelvuldig besnuffeld. Als een vrouwtje dat eitjes moet afzetten ook interesse vertoonde voor de takkenpartij en hierop klauterde (wegens het door de eitjes opgezwollen lichaam kunnen deze vrouwtjes nauwelijks nog zwemmen) verhoogde de interesse van de mannetjes en kwamen deze dichterbij. De mannen gedroegen zich op dat moment behoorlijk zenuwachtig en duwden meermalen het vrouwtje van de takkenpartij af.

Op een bepaald moment ging het mannetje weer over tot de lokfase. Het mannetje was nog maar net begonnen met het staartzwaaien toen een vrouwtje hierop met een onwaarschijnlijk grote snelheid reageerde. Ze kwam vanonder de stenen rechtstreeks af op de takkenpartij en klauterde tot bij het mannetje. Quasi onopgemerkt waren ook de andere mannetjes dichterbij gekomen en in hun daaropvolgende hitsige inmenging werd het vrouwtje van de takken geduwd.

Tijdens deze actieve fase zag ik ook een man die met een opengesperde muil een andere mannetje bedreigde. Dit agressief gedrag werd slechts één maal geobserveerd. Helaas moest ik mijn waarnemingen op dat moment staken en vond ik 3 uur later een vers afgezet (nog vrij verfrommelde) legsel op de voormelde gemarkeerde plaats. In de week die hierop volgde werden nog twee legsels ontdekt die in de directe omgeving van het eerste legsel waren afgezet.

Na de eiafzet kon ik steeds één man terugvinden in de directe omgeving van het legsel. Het is momenteel (nog) niet duidelijk of de interesse van dit mannetje gericht was op de afzetplaats of op het broedsel.

Larven

Hynobius dunni larve, foto door Henk Wallays

Bij temperaturen van 8 tot 10°C komen de larven na 39 dagen uit het ei. De pas uit het ei gekomen larven, meten doorgaans 14 mm. Uit een legsel met minder eieren werden uitzonderlijk grote larven van 17 mm opgemeten. Als typische poellarven bezitten de larven na uitkomen goed ontwikkelde balanceerders, grote kieuwen aan beide zijden van de kop en hoge vinzomen. Al vanaf het uitkomen vertonen de larven de typische zwarte staart tip. Het lijkt erop dat als er minder eitjes in een eizak steken dit ten goede komt van de grootte van de larven. Grotere larven kunnen grotere prooien grijpen en groeien daardoor sneller. De larven leven hoofdzakelijk op de bodem waar ze ook naar voedsel zoeken. Volgens de literatuur voederen ze zich voornamelijk met in het water voorkomende insectenlarven en beekvlokreeftjes (Gammarus sp.). Bij hoge dichtheden kan kannibalisme optreden.

Mijn larven bleken een ongelooflijke eetlust aan de dag te kunnen leggen, dit ging tevens gepaard met een ongewone agressiviteit. Larven die amper 4 cm waren slaagden zonder problemen in het opschrokken van meerdere vliegenmaden van ongeveer 1 cm, welke ze ook zonder problemen verteerden. Deze vraatzucht stelt bijzonder hoge eisen aan de voedselhoeveelheid. Aangezien het vele afval wat de larven produceren, moet de kweekbak regelmatig schoongemaakt worden.

De pas uit het ei gekomen larven werden gevoederd met watervlooien (Daphnia) en Tubifex. De larfjes hadden vooral voor Tubifex een duidelijke voorkeur. Later werden ook rode muggenlarven en enchytreën gevoerd. In de natuur lijkt predatie op kikkerlarven zeker geen onwaarschijnlijkheid. Als de larven eenmaal zo’n 3 cm groot zijn aarzelen de agressieve steeds hongerige larven niet om hun prooien door de hele bak achterna te zwemmen.

Het uitkomen van de eieren leverde geen problemen op. In 1999 kwam ruim 80% van de eitjes uit. Slechts enkele eieren gingen ten onder aan schimmel (Saprolengia sp.). Daarna dook echter een probleem op. Een groot aantal larven kwam boven drijven met een‘gasbuik’ syndroom. Dit probleem hield aan tot dat de larven een lengte hadden bereikt van 3 cm. Dit bleek in bijna alle gevallen dodelijk te zijn. Doorprikken noch frequente waterverversing leverde geen positief resultaat op. Mogelijk was dit te wijten aan de gehanteerde (hogere) temperaturen waardoor het metabolisme op een te hoog niveau uitkwam. Een andere mogelijkheid kon een infectie en of een vergiftiging vanuit het aangekochte voedsel zijn (rode muggenlarven). Frappant was wel dat de overlevende larven zonder verdere problemen werden opgekweekt met hetzelfde voedsel.

Teneinde de invloed van de temperatuur of voeding en sterfte te lokaliseren werden het jaar daarop 26 larven opgekweekt bij temperaturen 13 tot 15°C (groep A). De overige larven werden opgekweekt bij temperaturen van 7 tot 9°C in een tuinhuis (groep B). Om de invloed van het bedorven voedsel te weren werden beide groepen enkel met watervlooien en enchytreën gevoederd. De larven van groep A bleken agressieve eters te zijn. In 8 dagen tijd groeiden ze uit tot 20–22 mm, doch plots startten er opnieuw problemen. De larven gingen massaal ten onder aan een schimmelinfectie. Slechts 8 larven overleefde dit.

Foto: Henk Wallays

Om geen verdere onnodige sterfte te creëren werden ze uiteindelijk terug in het koude tuinhuis bij de overige larven gezet. Ze bleven wel in hun aparte bak. In het koudere water zag je de dieren in groep B nauwelijks bewegen. Toch groeiden ze in diezelfde periode aan tot 16 a 17 mm, zonder sterfte. Maar ook hier manifesteerde de dodelijk schimmelinfectie zich: slechts 3 larven (van de 120) overleefden deze fase. De snelheid waarmee deze infectie aansloeg was bijzonder snel: de ene dag was ogenschijnlijk niets aan de hand, de andere dag lagen er dode, door schimmel overwoekerden lijkjes op de bodem.

Op basis van deze bevindingen lijkt het dat voeding en temperatuur uit te sluiten zijn als oorzaak voor de sterfte, waarschijnlijk dat door de waterkwaliteit de problemen werden veroorzaakt. Ondanks dat (doordat ?) ik de larven telkens in een nieuw opgezette kweekbak had gezet. In het daarop volgende jaar werd daarom een andere strategie toegepast: de eizakken werden ongemoeid gelaten in de moederbak, een week na uitkomen werden de ouderdieren uit de bak verwijderd.

Vanaf dat moment werd bewust geen waterverversing meer toegepast. Dit bleek de sleutel tot een succesrijke opkweek te zijn. Twee weken na uitkomen begon ik met het gedeeltelijk wegvangen van een deel van de jonge larven, dit om de hoge concentraties te drukken. Door het uitgroeien van de larven moest dit wel om de week tot 2 weken herhaald worden. Op het einde van de larve fase waren ongeveer 12 verschillende middelgrote aquaria met deze larven gevuld.

In de 4 jaren dat ik met deze salamanders kweek, werd bijna geen kannibalisme waargenomen. Wel ontwikkelden sommige larven een veel grotere kop. Enkel in 1999 noteerden ik 2 gevallen van kannibalisme. In tegenstelling met H.tokyoensis (KUSANO, 1985) werden de aangevallen larven niet bij de kop gegrepen, maar aan de staart. Daarom denk ik dat het hier eerder om een ‘ongeluk’ ging dan een beredeneerd kannibalisme.

Juveniele landfase

In de natuur metamorfoseren de larven in augustus of september. Reeds enige tijd voor de metamorfose kan men de zo typerende Hynobius kop herkennen: een korte kop waarbij de ogen heel dicht tegen de snuit liggen. Als eerste stap tot de metamorfose kan men de ‘ribgleuven’ waarnemen, kort daarop verdwijnen de vinzomen, als laatste verdwijnen de kieuwen. Sommige dieren gaan aan land met nog zichtbare kieuwstompjes. De afmeting bij metamorfose zijn van 5 tot 5,7 cm. In 2001 traden er grote lengteverschillen op tussen de larven doordat de dichtheden per bak verschilden. In bakken met hoge dichtheden metamorfoseerden de dieren bij totale lengtes van 4,6 tot 4,8 cm, terwijl buiten in een zwembadje (met een lage dichtheid van larven) neoteen uitziende jonge dieren werden terugvonden van 7,5 en 7,7 cm. De metamorfose was bij deze laatste wel al ten dele ingezet: ze vertoonden enkel nog kieuwresten en het adulte kleurpatroon. Bij het schrijven van dit artikel waren nog niet alle dieren gemetamorfoseerd. In totaal werden er 177 juveniele en 102 grote larven geteld.

Juveniele Hynobius dunni, Foto door Henk Wallays

Onder de juveniele ontwikkelen zich twee verschillende kleurpatronen. Een groep van kleine zwarte dieren en een groep van grotere geelbruine dieren. Deze laatste zijn tevens voorzien van zwarte ronde stippen en vertonen dus reeds het volwassen kleurenpatroon. De beide vormen beschikken over de voor jonge dieren typische wit/blauwe iridiscerende puntjes. Enkele maanden later kleurden de donkere dieren ook bij. De opkweek van de juveniele gebeurt in een verkleinde kopie van de bak van de volwassen dieren. Voor een gedetailleerde omschrijving hiervan zie WALLAYS (2000). Doordat de kweekbak is afgesloten met een glasplaat en hierop een TL lamp ligt, lopen de temperaturen tijdens de zomermaanden soms op tot 27°C. Dit leverde tot op heden geen problemen op, vermoedelijk mede door de vele (koelere) schuilplaatsen. Jongen van H. dunni blijken, na mijn ervaringen, met uitzondering van de eerste larve fase (< 3 cm), vrij tolerante tot zeer sterke dieren te zijn, ten opzichte van de temperatuur en waterkwaliteit. De groeicurve van de juveniele kan sterk versneld worden door ze tijdens de winter bij temperaturen van 14°C tot 20°C dagelijks te voederen.

In de herfst van 2000 maten de jongen van ’99 gemiddeld 10,4 cm (grootste 12,5, kleinste 8,1 cm). De nakweek van 2000 was gemiddeld 6,8 cm (grootste 7,6 , kleinste 5,8 cm). Bij beide groepen was de verhouding van de kopbreedte versus totale lengte 11,1%.

Stamboek

Op basis van een kweekgroep van 10 dieren werden in de periode 1998 – 2000 een 50 tal dieren opgekweekt. Door het oplossen van de problemen in de eerste fase van de larven (als ze kleiner zijn dan 3 cm) konden in 2001 uiteindelijk 279 bijkomende dieren opgekweekt worden. Mijns inziens staat niets meer in de weg om deze uiterst sterke en gemakkelijk te houden salamander verder te verspreiden. Hierbij is voor de ernstige liefhebber ook heel wat ruimte tot nieuwe en interessante observaties (o.a. voortplantingsgedrag, relatie tussen wintertemperatuur versus kweek, groeicurves, etc.).

Nawoord

Ik wens Jun Ikeda en Ad Bouwman beide uitdrukkelijk te bedanken voor de door hen aangeleverde hulp en informatie, die hierdoor het artikel mede interessant maakt.

Summary

A group of 8 Hynobius dunni from Beppu-shi, Japan are kept in a tank of 140 x 50 cm in an unheated, frost free garden shed, with natural lighting. The water part (10-12 cm high) holds a large land-area (2/3rd of the surface) of broken stones with large packs of moss. The contact of the moss and evaporation guarantees both humidity and cool temperatures. Food mainly consisted out of worms, buffalo-worms and maggots. Slugs were not eaten. During reproduction period (from February till March), dead branches are introduced in the water part for egg-deposition. Frequent water-changes during the spring stimulate breeding behaviour. Males start becoming activity from 5°C on. Their mating strategy was observed and divided up in 4 stages : the walking phase, where males are wandering across the floor, the climbing phase when males are crawling on and off the twigs, the attraction phase, when a male hangs itself on a twig and fans it’s tail in order to attract females and finally the marking phase when a male rubs his cloaca on the branch. The 3 egg sacs were al deposited on or in the direct environment of this marking place. After major (fungal & gas belly) problems raising the larvae of 1999 and 2000 (in fresh installed containers), the eggs of the 2001 breeding were left in the tank. At temperatures between 8-10 °C the eggs hatched after 39 days. To avoid predation, the parents were removed after the eggs were deposit. Fresh hatched larvae usually measured 14 mm. In order to break the high densities groups of larvae were set other (aged) tanks that starting from the 2nd week and as they grew. The ground dwelling, voracious larvae were fed daphnia, tubifex (preferred food), bloodworms and maggots. Only 2 cases of cannibalism occurred in 4 years of breeding. According to densities and temperatures, juveniles metamorphosed at lengths ranging from 4,6 to 7,7 cm, the usual length being 5,5 to 5,7 cm. The juveniles proved very hardy and even tolerated temperatures up to 27°C. The were raised in moss filled containers. In the fall of 2000 the average offspring of ’99 measured 10,4 cm (8,5 – 12,5 cm). In 2001 a total of 279 animals were raised. The writer has set up a studbook for this species.

Literatuur

KUSANO, T., 1985. Size related cannibalism among larval Hynobius nebulosus. Copeia (2): 472-476.

MASHIBA, S., 1969. Ecology of Hynobius dunni – chiefly its breeding activity. Saishu to Shiiku ( Collecting & Breeding) 31(5): 122-135 (Japans).

SATO, T., 1992. Reproductive behavior in the Japanese salamander Hynobius retardatus. Japanese Journal of Herpetology 14(4): 184-190.

SENGOKU (ED.), 1979. Amphibians and Reptiles in color (Japans).

THORN, R..,1991. Observations et notes sur diverses espèces de Salamandres (Amphibia, Caudata). Bull.Soc.Nat.luxemb. (92): 79-83.

USUDA, H., 1995. Waving behavior and its effect on the reproductive behavior of Hynobius nigrescens. Japanese Journal of Herpetology 16(1): 19-24.

WALLAYS, H., 2000. Raising metamorphosed juveniles, Indiana university Axolotl Newsletter 28: 10-17.

© Copyrights 2002 de Salamandervereniging, www.salamanders.nl.

De Salamandervereniging staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, te Nijmegen, onder nummer 09126981.

Actueel

Programma 28e Salamanderlanddag – 11 September 2022

11th of September 2022 Dierenpark “De Oliemeulen”Reitse Hoevenstraat 305042 EH Tilburg (The Netherlands)Telefoon 013-46 30 026),www.oliemeulen.nl 9:30                                    Zaal openHall open…

/// lees meer

Huiskamerbijeenkomst op 18 juni 2022

Geachte leden van De Salamandervereniging, Het voorjaar begint ruimte te maken voor de zomer, bij menigeen zijn er al eieren,…

/// lees meer

Beschrijving

Cynops pyrrhogaster. Foto: Henk Wallays

Een middelgrote salamander (9 – 13 cm) met duidelijke oorspeekselklieren, een ruwe huid en een gebogen rug. De bovenzijde is chocoladebruin tot zwart gekleurd met nu en dan rode vlekjes langs de ruglijsten en een oranje tot rood gekleurde onderzijde met een donkere tekening. De buiktekening is zeer variabel en kan bestaan uit stipjes, vlekken, golvende lijnen of een netvormige patroon. De mannetjes kunnen van de vrouwtjes worden onderscheiden door een grotere cloaca, terwijl de mannetjes gedurende de paartijd tevens een paars- of blauwachtige glans langs de staart ontwikkelen, evenals een kort draadvormig aanhangsel aan de staartpunt (dit ontbreekt bij sommige ondersoorten). Ook hebben de mannetjes gedurende de paartijd een gladdere huid.

Er bestaan zes “rassen” of ondersoorten van Cynops pyrrhogaster, die elk hun eigen unieke kleur en morfologische kenmerken hebben, welke hieronder zullen worden beschreven. Van enkele van deze ondersoorten is aangetoond dat zij onderling genetisch van elkaar verschillen, alsmede dat deze ondersoorten zich onderling niet vermengen in gebieden waar zij elkaar overlappen. Dit laatste kan er toe leiden dat Cynops pyrrhogaster in de toekomst zal worden opgesplitst in twee of meer verschillende soorten.

Foto door Henk Wallays

Deze soort wordt vaak verward met de Chinese vuurbuiksalamander (Cynops orientalis). Om deze verwarring nog groter te maken wordt deze laatste vaak aangeduid en verkocht als “Japanse vuurbuiksalamander”. De belangrijkste verschillen tussen de beide soorten zijn de vorm van de staart, de huidstructuur, de lichaamsvorm en de grootte. Cynops pyrrhogaster wordt aanmerkelijk groter en steviger dan Cynops orientalis en heeft tevens een meer korrelige huidstructuur. De staart van Cynops pyrrhogaster is langer en spitser dan de relatief stompe en afgeronde staart van Cynops orientalis. Ook heeft Cynops pyrrhogaster een meer gebogen rug in vergelijking met de plattere rug van Cynops orientalis.

Natuurlijke verspreiding en biotoop

Japan: de Honshu Eilanden, Shikoku, en Kyushu. De soort wordt aangetroffen in vijvers, slootjes, poelen, langzaam stromend water, kleine meertjes en in vrijwel elk beschikbaar schoon, stilstaand water.

Huisvesting

Een dichtbeplant aquarium met een klein landgedeelte. Deze salamanders leven zowel volledig aquatisch als semi-aquatisch, dit verschilt per ondersoort of zelfs per individueel dier. Onderzoek heeft aangetoond dat sommige dieren het grootste deel van het jaar op het land doorbrengen en alleen gedurende de paartijd het water opzoeken, vergelijkbaar met salamanders uit het geslacht Triturus. In gevangenschap kunnen de dieren aquatisch worden gehouden, maar er dient wel voor een landgedeelte te worden gezorgd. Dit kan simpelweg een steen zijn die een paar centimeter boven het wateroppervlak uitsteekt of een wat uitgebreider beplant landgedeelte. Deze salamanders schijnen een dichte beplanting met waterplanten op prijs te stellen, dus hoe meer van deze planten, hoe beter.

Semi-aquatische setup, door Jennifer Macke

In de vrije natuur worden deze dieren blootgesteld aan grote temperatuurverschillen en schijnen veel toleranter te zijn voor temperaturen rond de 25 graden Celsius dan de meeste andere salamanders. Echter, ook in het wild schijnen deze salamanders de voorkeur te geven aan koeler water, dus het is raadzaam de dieren te houden bij een temperatuur van 18 – 21 graden. Wanneer mogelijk kan de temperatuur in de winter worden verlaagd tot 5 – 8 graden om de natuurlijke seizoenswisselingen na te bootsen. Veel ervaren houders van deze salamanders laten de temperatuur in de zomer oplopen tot rond de 25 graden zonder dat de dieren daar nadelige effecten van schijnen te ondervinden en waarbij ze zich zelfs voortplanten. Vele anderen houden de dieren echter bij een temperatuur onder de 21 graden met eveneens goede resultaten, dus er zal een individueel oordeel moeten worden geveld bij welke temperatuur de dieren het best kunnen worden gehouden.

De nauw verwante zwaardstaartsalamander (Cynops ensicauda ssp.) wordt over het algemeen ook gehouden en gekweekt in wat warmer water. De ervaring leert echter dat temperaturen boven de 23 graden niet zijn aan te bevelen, maar dit blijft vooralsnog een punt van discussie. Cynops pyrrhogaster schijnt uitzonderlijk ongevoelig te zijn voor hogere temperaturen in vergelijking met andere soorten, maar het houden van salamanders bij hoge temperaturen kan stress veroorzaken waardoor de dieren vatbaarder worden voor ziekten en infecties.

Voedsel

In het wild voedt deze soort zich met diverse ongewervelde prooidieren. In gevangenschap is een verscheidenheid aan levend en niet-levend voer mogelijk: (gehakte) regenwormen, rode muggenlarven, witte muggenlarven, beekvlokreeftjes, stukjes runderhart en tubifex. Hoewel veel dieren levenloos voer accepteren doen velen dit ook niet, zodat dit eerst zal moeten worden uitgeprobeerd. Probeer iets anders wanneer levenloos voer niet wordt geaccepteerd. Veel houders trachten de dieren te voeren met guppy’s of andere kleine vissoorten, maar hoewel deze salamanders af en toe kleine vissen vangen zijn ze er niet zo op gespitst als bijvoorbeeld de Pachytriton-soorten. Ook bestaat het risico dat vissen parasieten of besmetting met schimmels of bacteriële infecties overbrengen, zodat hierbij voorzichtigheid in acht dient te worden genomen.

Voortplanting

Aan het begin van de paartijd krijgen de mannetjes een gladdere huid, een dun draadvormig aanhangsel aan de staartpunt en een blauwachtige of paarsachtige weerschijn langs de staart en de romp. Baltsende mannetjes achtervolgen de vrouwtjes, proberen hun aandacht te trekken door hen aan te stoten en hen de pas af te snijden en wapperen met de staart in de richting van het vrouwtje. Door middel van dit staartwapperen worden feromonen in de richting van het vrouwtje gestuurd. Een vrouwtje kan tot 200 eieren per seizoen afzetten. Indien mogelijk worden de eieren tussen de bladeren van waterplanten gevouwen. Na ongeveer twintig dagen komen de eieren uit (dit is afhankelijk van de temperatuur) en de larven metamorfoseren ongeveer 3 – 5 maanden later.

Gemetamorfoseerde juvenielen hebben vaak een gele tot roodachtige rugstreep en leven 1 tot 3 jaar op het land, alvorens terug te keren naar het water als seksueel volwassen dieren. In gevangenschap kan deze tijd bekort worden door veel te voeren. Juvenielen eten enchytreëen, krekeltjes, fruitvliegen, kleine regenwormen, kleine wasmotlarven en andere kleine prooidieren.

Overwintering schijnt niet noodzakelijk te zijn en vele houders van deze dieren hebben bericht dat deze salamanders zich ook voortplanten wanneer ze het hele jaar door op kamertemperatuur worden gehouden. Hoe dan ook, het verlagen van de temperatuur naar ongeveer 5 – 8 graden in de winter bevordert ongetwijfeld de voortplanting en is daarom aan te raden.

Ondersoorten of “rassen”

Tenzij precies bekend is waar een salamander is gevangen is het in feite onmogelijk om met enige zekerheid te zeggen tot welke ondersoort deze behoort. Vele populaties binnen het verspreidingsgebied van een ondersoort vertonen de kleurpatronen van andere ondersoorten. Hieronder volgen een aantal richtlijnen, zoals gegeven door Robert Thorn in 1968, waarmee een ruwe inschatting kan worden gemaakt tot welke ondersoort een exemplaar behoort. Hoewel deze richtlijnen nogal gedateerd zijn, kunnen ze niettemin wat inzicht geven. Een aantal van de hieronder genoemde ondersoorten kan inmiddels uitgestorven zijn en enkele van de richtlijnen worden door sommigen als niet langer geldig beschouwd.

Op de volgende pagina zijn de vele verschillende morfologische kenmerken van de ondersoorten op foto gezet: Morphological Characteristics of Japanese Firebellied Newt

*Hiroshima ondersoort:
Verspreiding – Kyushu Eilanden, Shikoku, Oki, en de Chugoku regio van Honshu.

Deze ondersoort wordt gekenmerkt door ronde stippen of vlekken op de buik, terwijl sommige exemplaren in het geheel geen zwarte tekening vertonen.

*Sasayama of Tamba ondersoort:
Verspreiding – Oostelijk Chugoku, Kinki-regio.

Deze ondersoort heeft twee onregelmatige zwarte lijnen op een rode buik. Vaak zijn deze zwarte strepen bezaaid met witachtige vlekjes en bevinden zich witachtige vlekjes aan de zijkanten van het lichaam. Opmerkelijk is het baltsgedrag: de mannetjes plaatsen een achterpoot op de nek van het vrouwtje bij het staartwapperen.

*Atsumi ondersoort:
Verspreiding – Atsumi schiereiland (ten zuidoosten van de stad Nagoya).

Dit is een relatief kleine ondersoort met een hoge staartzoom, een onregelmatige rode rugstreep en twee onregelmatige lijnen van rode stippen aan beide zijden van de rug. Mannetjes in de voortplantingstijd missen de paarsachtige glans op de staart maar hebben een zeer duidelijk aanhangsel aan de staartpunt. Ook deze ondersoort plaatst af en toe een achterpoot op de nek van het vrouwtje bij het staartwapperen tijdens de balts en plant zich in de regel ’s nachts voort.

*Kanto ondersoort:
Verspreiding – De vlakte rond Tokyo op Honshu.

Deze ondersoort heeft een korte maar relatief hoge staartzoom met een stompe staartpunt. Aan beide zijden van de buik is een brede zwarte streep zichtbaar welke een doorlopende of onderbroken rode streep bevat, evenals een brede doorlopende rode streep over het midden van de buik. De vrouwtjes stoten de mannetjes regelmatig aan tijdens de balts of bijten hen hierbij.

*Touhoku ondersoort:
Verspreiding – De noordelijke delen van Honshu.

Deze ondersoort is wellicht de meest forse voor wat betreft de lichaamsgrootte. De buik vertoont een groot aantal zwarte golvende vlekken en strepen, voornamelijk aan de zijkanten van de buik.

*De “tussenvorm”:
Verspreiding – Centraal Honshu.

Een zeer variabele zwarte tekening op de buik.

Literatuur:

Hayashi, Terutake, and Matsui, Masafumi. (1990). Genetic differentiations within and between two local races of the Japanese newt, Cynops pyrrhogaster, in eastern Japan. Herpetologica. 46: 423-430.

Maranouchi, Junsuke, Hiroaki Ueda and Osamu Ochi. (2000). Variation in age and size among breeding populations at different altitudes in the Japanese newts, Cynops pyrrhogaster. Amphibia-Reptilia. 21 (3):381-396.

Stejneger, Leonhard H. (1907) “DEIMICTYLUS PYRRHOGASTER”. Herpetology of Japan and adjacent territory. Bulletin (United States National Museum) Washington, D.C. : G.P.O. no. 58:16-21.

Thorn, R. (1968) Les Salamandres d’Europe, d’Asia, et d’Afrique du Nord. Paris, P. Lechevalier.

Oorspronkelijke versie geschreven door N. Nelson in juni 2001.
Nederlandse vertaling door Etienne du Celliée Muller, november 2008.

Actueel

Programma 28e Salamanderlanddag – 11 September 2022

11th of September 2022 Dierenpark “De Oliemeulen”Reitse Hoevenstraat 305042 EH Tilburg (The Netherlands)Telefoon 013-46 30 026),www.oliemeulen.nl 9:30                                    Zaal openHall open…

/// lees meer

Huiskamerbijeenkomst op 18 juni 2022

Geachte leden van De Salamandervereniging, Het voorjaar begint ruimte te maken voor de zomer, bij menigeen zijn er al eieren,…

/// lees meer

Omschrijving

Een kleine salamander (6 – 10.3 cm) met variaties in kleur van donkerbruin tot zwart aan de bovenkant, met een oranje tot bordeaux rode buik met verscheidene zwarte plekken. Er kunnen ook kleine oranje stipjes op de dorsale lijst aanwezig zijn, en dan met name bij de bovenste gedeelten van de ledematen. Sommige individuele dieren hebben een zwak oranje tot bruine dorsale streep. De huid is relatief glad vergeleken met andere Cynops soorten. Mannetjes zijn over het algemeen kleiner en dunner dan de vrouwtjes, en zijn meestal ook wat hoekiger van vorm in het kruis gedeelte in vergelijking met de grotere, meer ronde vrouwtjes. Sexuele tweevormigheid is ook te zien in de staart, waarbij mannetjes een kortere staart hebben met een enigszins hogere staartvin. De mannetjes hebben, zoals bij de meeste salamandersoorten, een gezwollen cloaca welke extra uitgesproken is tijdens het paarseizoen.

Voor een nog onbekende reden worden sommige individuele C. orientalis dieren tijdelijk lichter van kleur, en de resultaten kunnen variëren van een dorsale grondkleur van aswit, grijs, beige, of zelfs bourgondisch. Dit is vaak in combinatie met een zwak oranje, rood of bruine dorsale streep en donkere marmering langs de flanken die zich verlengen tot in de staart. De felle ventrale kleuring blijft onveranderd. Er schijnt geen consistente verklaring te bestaan waarom dit gebeurd, en de duratie verschilt van enkele uren tot zelfs maanden.

Deze soort wordt vaak ten onrechte verkocht en benoemd onder de naam Japanse Vuurbuiksalamander, Cynops pyrrhogaster. De C. orientalis is echter kleiner van grootte, heeft een gladdere huid en een andere vorm van staart; H. orientalis bezit een stompe, ronde staartpunt, terwijl de staart van de C. pyrrhogaster in een punt eindigt.

Verspreidingsgebied en Omgeving

Deze salamanders komen voor in de Chinese provincies Jiangsu, Zhejiang, Jiangxi, Anhui, en Hubei. Onderzoekers hebben de natuurlijke omgeving beschreven als “geschikte waters op verschillende hoogtes, bergvijvers, kleine beekjes, ondergelopen velden in berg valleien…” en “koude stilwater poelen, putten, terrasvelden, en sloten”. Vroegere onderzoekers noemden ook: “Het water is altijd koud en stil, in de schaduw van het gras, met een modderbodem vrij van stenen, en de dieren zwemmen frequent naar de oppervlakte en verplaatsen zich actief heen en weer”. Ondanks dat de informatie gelimiteerd is, geeft het duidelijke hints over hoe je deze dieren in gevangenschap dient te houden.

Huisvesting

Een koel (14-20°C), beplant aquarium met kleine landgedeeltes is benodigd. Dichte watervegetatie en matten met drijvende planten worden erg gewaardeerd door deze soort. Landgedeeltes kunnen bestaand uit gestapelde stenen die het wateroppervlak breken. Ook meer uitgebreide, beplante gedeeltes kunnen gemaakt worden. Temperaturen boven 23°C moeten vermeden worden. Zodra de dieren in hun omgeving zijn gevestigd en zich volledig comfortabel voelen, zullen de volwassen dieren vrijwel geheel aquatisch zijn, waarbij ze vaak alleen ’s nachts voor korte tijd rusten op de stenen of drijvende vegetatie. De diepte van het water is meestal aan de keus van de eigenaar.

Of deze soort in het wild een langere periode op het land doorbrengt is nog onduidelijk, maar sommige individuen, en dan in het bijzonder de nieuw aangeschafte dieren, zullen vaak voor een lange periode weigeren het water in te gaan. De redenen voor dit gedrag zijn meestal jammerlijke gevangenschaps omstandigheden, stress veroorzaakt door het verblijf in vies water voordat de aanschaf was gemaakt, hoge temperaturen, en het samenhouden met grotere, agressieve amfibie soorten. Ook al kan dit gedrag wijzen op een zieke salamander, is het ook vaak voorkomend bij gezonde exemplaren. Dus als je salamander dit gedrag vertoont, maar geen symptomen van ziekte heeft, maak je in dat geval niet onnodig ongerust. Dit is meestal meer een ongemak voor de eigenaar dan een echt gezondheidsprobleem, en zodra de dieren gevestigd zijn, vinden de meeste individuen hun weg wel weer naar het water. Individuen kunnen ook gemotiveerd worden om terug te gaan in het water door landgedeeltes te creëren waarbij ze niet geheel uit het water zijn, of d.m.v. uitrustplaatsen met slechts 1-2 mm water. Als het dier niet totaal droog kan zitten, draait dit meestal de drijfveer terug om in landfase te gaan.

Voeding

Er is heel weinig bekend over de prooien van deze salamanders in hun natuurlijke omgeving, maar ze voeden zich in het wild waarschijnlijk met een variatie aan ongewervelden, amfibie-larven en eitjes. Methoden om deze prooidieren te vangen zijn aangetoond als het jagen en/of bekruipen van de prooi. In gevangenschap zullen deze dieren een variatie aan voedsel aannemen, zoals (in kleinere stukjes geknipte) regenwormen, wasmotlarven, enchytreeën, rode muggenlarven en tubifex (deze laatste 2 zowel levend als bevroren). Ook al zullen sommige dieren voorbewerkte tabletten/pellets accepteren, veel zullen dit niet en als het dier niet geïnteresseerd reageert, probeer dan iets anders.

Nieuw aangeschafte dieren kunnen een aantal dagen weigeren om te eten. Ook al kan dit een teken van ziekte zijn, is het ook een algemene gedragsvorm van gezonde salamanders die worden geconfronteerd met de stress van gevangenschap. Als je salamander er niet ziek uitziet, is geduld hebben de beste actie die je kan ondernemen. Uiteindelijk zal het instinct om te eten overwinnen.

Voortplanting (kweken)

Deze soort lijkt niet vaak gekweekt te worden in gevangenschap, terwijl het tegelijkertijd een van de meest gehouden soorten salamanders is. Dit is waarschijnlijk zo omdat veel mensen ze op onnatuurlijk hoge temperaturen houden.

Paargedrag bestaat uit het mannetje die actief het vrouwtje achtervolgd, staart waaieren en soms bijten. Eitjes worden per stuk gelegd in aquatische planten, en wanneer mogelijk, zullen de vrouwtjes de bladeren van de plant om het eitje heen vouwen om deze zo te beschermen, op een zelfde manier als bijvoorbeeld de Triturus soorten. In mijn eigen ervaringen is echte overwintering niet nodig om de voortplanting op gang te brengen, al zal een koelere periode in de winter (5-15°C) zonder twijfel meehelpen om de voortplanting te stimuleren.

Natuurlijke observaties van deze salamanders in de Changsha omgeving van China toont dat deze salamanders voortplanten van Maart tot Juli, terwijl het water een temperatuur heeft van 15-23°C. Interessant genoeg, hebben de onderzoekers ook bevonden dat de vrouwtjes op zijn minst de eerste 65 dagen na een succesvolle paring geen vruchtbare eitjes leggen. Het was ook geobserveerd dat de vrouwtjes ongeveer 10-236 eitjes in een enkel seizoen leggen, en de gemiddelde uitkomst van eitjes was 74.1%

De eitjes, larven en metamorfose van C. orientalis worden eenvoudig verzorgd met methoden die je elders op deze site kunt vinden. De juveniele dieren in landfase kunnen er 1 tot 3 jaar over doen om seksuele volwassenheid te bereiken. Sommige kwekers prefereren om de dieren semi-aquatisch te houden in bakken met zeer ondiep water (1-2 cm) met veel waterplanten zoals javamos en waterpest, aangezien dit de groei zou versnellen.

Referenties

Cynops orientalis Caresheet op Caudata.org – Originele caresheet geschreven door Nate Nelson, en met toestemming vertaald door Coen Deurloo.

Anthony, C.D. and Formanowicz, Jr., D.R., and Brodie, Jr., E.D. (1992) The effect of prey availability on the search behaviour of two species of two species of Chinese salamanders. Herpetologica 48 (3): 287-292.

Sparreboom, M., and Faria, M. M. (1997) Sexual behaviour of the Chinese fire-bellied newt, Cynops orientalis. Amphibia-Reptilia 18 (1): 27-38.

Thorn, R. (1968) Les Salamandres d’Europe, d’Asia, et d’Afrique du Nord. Paris: P. Lechevalier.

Yang, D. and Shen, Y. (1993) Studies on the breeding ecology of Cynops orientalis. Zoological Research 14 (3): 215-220.

Actueel

Programma 28e Salamanderlanddag – 11 September 2022

11th of September 2022 Dierenpark “De Oliemeulen”Reitse Hoevenstraat 305042 EH Tilburg (The Netherlands)Telefoon 013-46 30 026),www.oliemeulen.nl 9:30                                    Zaal openHall open…

/// lees meer

Huiskamerbijeenkomst op 18 juni 2022

Geachte leden van De Salamandervereniging, Het voorjaar begint ruimte te maken voor de zomer, bij menigeen zijn er al eieren,…

/// lees meer
Cynops ensicauda popei, foto door Henk Wallays

Verspreiding

Cynops ensicauda komt voor op de bij Japan behorende Rioekioe eilanden. De nominaatvorm komt voor op de eilanden Amam, Kakeroma en Tokuno. De ondersoort C. e. popei komt voor op de eilanden Okinawa en Tokashiki (THORN, 1968).

Kenmerken

Bijzondere kleurvariant bij C. e. popei. Foto: Henk Wallays

C. ensicauda kan een lengte bereiken van 16 cm, mannetjes blijven kleiner. De bovenzijde is donkerbruin tot zwart en op het midden van de rug is een richel zichtbaar. Op de overgang van de rug en de flanken bevinden zich oranje verdikkingen op het voorste deel van het lichaam. De buik is geeloranje tot rood al dan niet met zwarte vlekken bezet. De staart is in doorsnede afgeplat ovaal en eindigt in een punt. Vrouwtjes hebben een langere staart dan mannetjes. In het water verblijvende exemplaren hebben lage vinzomen op en onder de staart. C. e. popei onderscheid zich van de nominaatvorm door groenachtige vlekken op de rug en flanken.

Leefomgeving

C. ensicauda leeft zowel in het water als op het land. Deze salamanders komen voor in sloten, poelen, rijstvelden en allerlei andere stilstaande watertjes. Op het land leiden de salamanders een verborgen levenswijze op allerlei geschikte plaatsen zoals onder vochtig hout e.d.

Huisvesting

In een aquarium van 100x40x40 cm kunnen zes volwassen exemplaren worden gehuisvest. De bodem kan bedekt worden met een voldoende dikke laag rivierzand of fijn grind, waarin waterplanten kunnen wortelen. Doormiddel van stukken van bloempotten, stenen en kienhout worden schuilplaatsen gemaakt. Omdat deze salamanders soms de neiging hebben om het water te verlaten is een landgedeelte in de bak noodzakelijk. Een pompje dat het water in beweging houd en zorgt voor voldoende zuurstof in het water is aan te raden. Deze salamanders komen uit gebieden met een subtropisch klimaat en kunnen in de winter gehouden worden bij temperaturen van 18°C. De maximum temperatuur waarbij ik deze salamanders houd ligt rond de 25°C.

Voedsel

Volwassen salamanders kunnen gevoerd worden met (stukken) regenwormen, rode muggenlarven, naaktslakjes vliegenmaden en op maat gesneden stukjes runderhart. Het voedsel van de larven bestaat uit watervlooien, Tubifex en rode muggenlarven. Jongen die op het land verblijven kunnen worden gevoerd met stofkrekeltjes, fruitvliegjes e.d.

Voortplanting

C. ensicauda plant zich voort in het voorjaar en begin van de zomer, bij temperaturen rond de 22°C. Mannetjes zijn in de voortplantingstijd bijzonder actief. Als een mannetje een vrouwtje waarneemt benadert hij haar en begint met zijn staart geursporen in de richting van het vrouwtje te wapperen. Als een vrouwtje paringsbereid is blijft zij op haar plaats zitten. Waarna het mannetje, na enige tijd geursporen naar haar toe gewapperd te hebben, voor haar uit kruipt en een zaadpakketje afzet dat door het hem volgende vrouwtje in haar cloaca wordt opgenomen. SPARREBOOM (1994) beschrijft uitgebreid het paringsgedrag. Korte tijd na zaadopname begint het vrouwtje met het afzetten van haar eitjes. De eitjes worden aan en tussen blaadjes van waterplanten afgezet. Mijn ervaring is dat vrouwtjes vaak hun eigen eitjes ongemoeid laten en eitjes van andere vrouwtjes opeten. Om te kweken met deze salamanders verwijder ik een aantal eitjes bij de volwassen salamanders uit het aquarium. De larfjes komen na 10 tot 14 dagen uit het ei. Volwassen salamanders laten de larven met rust en ze kunnen dan ook in het aquarium bij de volwassen salamanders worden opgekweekt. Na twee jaar zijn de jongen in staat zich voort te planten. Een verschijnsel wat zich voordoet bij temperaturen boven de 25°C en hoge luchtvochtigheid is dat de salamanders de eitjes op vochtige plaatsen op het land afzetten.

Summary

Cynops ensicauda is found on the Japansese Riukiu islands; C. e. ensicauda on the islands Amam, Kakeroma and Tokuno and C. e. popei on Okinawa and Tokashiki. Total length up to 16 cm. Dorsal side is darkbrown with a vertebral ‘richel’. C. e. popei is characterised by greenlike dots on dorsal en lateral sides. Belly is yellow-orange often with black dots. Females have a longer tail than males. These newts use all types of non-flowing water. An aquarium of 100x40x40 cm can hold six adults. The aquarium should be furnished with sand or gravel and planted well. Pieces of pottery, stones etc. can create hiding places. A small island is necessary but most animals stay in the water whole year through. Water temperatures should be warmer than for most other newts (18°C – 25°C). Breeding occurs at temperatures around 22°C. Females seem to eat only eggs from other females and not their own. Larvae can be raised easy and together with their parents. Juveniles reach sexual maturity after two years. At high temperatures (above 25 °C) and high humidity eggs can also be found on land on moist places. Any food items (dead or alive) are eaten.

Literatuur

SPARREBOOM, M., 1994. On the Sexual Behaviour of the Sword-Tailed Newt, Cynops ensicauda (HALLOWELL, 1860). Abhandlungen und Berichte für Natuurkunde 17: 151-161.

THORN, R., 1968. Les Salamandres d’Europe, d’Asie et l’Afrique du Nord. Les Editions Paul Lechevalier, Paris.

Actueel

Programma 28e Salamanderlanddag – 11 September 2022

11th of September 2022 Dierenpark “De Oliemeulen”Reitse Hoevenstraat 305042 EH Tilburg (The Netherlands)Telefoon 013-46 30 026),www.oliemeulen.nl 9:30                                    Zaal openHall open…

/// lees meer

Huiskamerbijeenkomst op 18 juni 2022

Geachte leden van De Salamandervereniging, Het voorjaar begint ruimte te maken voor de zomer, bij menigeen zijn er al eieren,…

/// lees meer

Kenmerken

Ambystoma mavortium. Foto: Henk Wallays

De tijgersalamander is een van de grootste landsalamanders en kan een lengte van ruim 30 cm. bereiken. De kleur varieert sterk. De basiskleur varieert van bruin tot zwart. De tijgersalamander heeft altijd een arabesque tekening in de kleuren lichtbruin, groen of beige. Hij heeft een grote kop met kleine, uitpuilende ogen, A. tigrinum is nauw verwant aan A. mexicanum, de Axolotl en kan er als deze larvale vorm uitzien. Deze larven kunnen uitgroeien tot de reusachtige afmetingen van 40 centimeter.

Onderscheidingskenmerken

Het is behoorlijk moeilijk om de verschillende soorten Ambystoma uit elkaar te houden. Bovendien kunnen ze onderling vermenigvuldigen en zijn de daaruit voortvloeiende tussenvormen ook in het wild te vinden. De natie-brede verspreiding van “Waterdogs” in de VS heeft in grote mate bijgedragen tot een ongecontroleerde vermenging van de soorten. Als “Waterdogs” zijn ten onrechte larven van A. tigrinum opgenomen en in grote aantallen verzameld als levend aas verkocht. Dit aas wist vaak genoeg van de haak te ontsnappen en kon zich zo over andere wateren verspreiden.
De ondersoorten:

De voormalige ondersoort A. tigrinum tigrinum is onlangs tot het hoofdsoort A. tigrinum, de Oost-tijgersalamander verheven. De voormalige ondersoort A. tigrinum mavortium is eveneens tot hoofdsoort verheven (West Tiger Salamander) en omvat de volgende ondersoorten:

  • A. mav. marvortium
  • A. mav. diaboli
  • A. mav. melanostictum
  • A. mav. nebulosum
  • A. mav. stebbinsi


Verspreiding

A. tigrinum komt in grote delen van Noord-Amerika voor. Lokaal is de soort zeer talrijk. De verspreiding strekt van Noord-Mexico tot Zuid-Canada. In de bergen van de Appalachen en de Rocky Mountains komt hij niet voor, in de Sierra Nevada vestigde hij zich op een geïsoleerde plek.

Leefomgeving

De tijgersalamander komt zowel voor op vlaktes, alsook in het hooggebergte tot 3300 m. Hij leeft op weiden, braakliggende stukken land, onder struiken, maar ook in schaduwrijke bossen (ook bossen met naaldbomen). In elk geval leeft hij in drassige of zeer vochtige gebieden met aanwezigheid van poelen. Hier leeft hij bij voorkeur onder het oppervlak. Hij graaft zelf tunnels in de zachte bodem, maar gebruikt ook ondergrondse gangen van andere kleine dieren.

Voedsel

De tijgersalamander eet wormen en allerlei insecten, maar ook kleine muizen en kikkers of zelfs andere salamanders staan op het menu.

Voortplanting

Vanwege het enorme verspreidingsgebied van de soort lopen de gegevens over de voortplantingsperiode sterk uiteen. Afhankelijk van de lokale omstandigheden, planten de dieren zich van maart tot laat in de zomer voort. Aan de paring gaan hevige regenbuien vooraf, die wateren (bijvoorbeeld in Stream-Pools) doen stijgen. Maar ook andere, kleine, visvrije wateren worden gebruikt voor de voortplanting. Drie dagen na het paren zetten de vrouwtjes zo’n 1400 eieren in klompjes aan planten vast. Het grote aantal larven vermindert al snel, alleen al omdat zij zeer kannibalistisch zijn. De maximale leeftijd die de salamanders die in vrijheid leven kunnen bereiken, is 25 jaar.

Het houden van tijgersalamanders in een terrarium

Tijgersalamanders in een terrarium. Foto: Carla Isabel Ribeiro

De volwassen, grote exemplaren moeten in grote bakken worden gehouden. Aangezien tijgersalamanders houden van veel graven, moet de bodemstructuur redelijk fijn zijn zodanig het gemakkelijk doorgespit kan worden. De tijgersalamanders geven de voorkeur aan een zeer vochtige omgeving, maar er moeten ook drogere plaatsen aanwezig zijn.

Voortplanting in het terrarium

Voortplanting in het terrarium kan alleen succesvol zijn, bij een hoge waterspiegel. Kortom, in gevangenschap plant dit zeer wijdverspreide dier zeer zelden succesvol voort. Het grootste succes wordt geboekt wanneer de dieren in een groot buitenterrarium zitten, waar de regenval voor een natuurlijke stijging van het waterniveau kan zorgen.

Vertaald door: “Morna” Marianna Zelichenko
Bron: Guenter SCHULTSCHIK, van de voormalige site Salamanderland.at

Actueel

Programma 28e Salamanderlanddag – 11 September 2022

11th of September 2022 Dierenpark “De Oliemeulen”Reitse Hoevenstraat 305042 EH Tilburg (The Netherlands)Telefoon 013-46 30 026),www.oliemeulen.nl 9:30                                    Zaal openHall open…

/// lees meer

Huiskamerbijeenkomst op 18 juni 2022

Geachte leden van De Salamandervereniging, Het voorjaar begint ruimte te maken voor de zomer, bij menigeen zijn er al eieren,…

/// lees meer

Eric Peters, 2002. Ambystoma opacum – Gemarmerder salamander pag. 18; uit: BOUWMAN, A. S. BOGAERTS (samenstelling en redactie), 2002. Salamanders. Jubileumbundel. Uitgave: Salamandervereniging. ISBN 90-9016241-0.

Kenmerken

De Gemarmerde Salamander, Ambystoma opacum heeft een gedrongen lichaamsbouw en kan een lengte bereiken van 13 cm. De kop is breed en de ogen steken boven de kop uit. De staart is kort en in doorsnede rond en beslaat 40 tot 43% van de totale lengte. De huid is glad en glanzend. De bovenzijde is zwart en op de rug en bovenzijde van de staart bevinden zich zilverkleurige vlekken of strepen. De flanken, de zijkanten van de kop en de poten zijn in meer of mindere mate bezet met zilverkleurige stippen. De buik is lichter gekleurd dan de bovenzijde en mist een tekening. Het geslacht is aan de hand van de zilverkleurige vlekken of strepen te bepalen, bij mannetjes zijn deze zilverwit en bij vrouwtjes zijn deze zilvergrijs. In paarstemming verkerende mannetjes hebben een opgezwollen cloaca

Verspreiding en leefomgeving

Deze salamander wordt gevonden in het oostelijk deel van VS, van het zuiden van New England tot in het noorden van Florida, westwaarts tot in het oosten van Texas. A. opacum is een op land levende salamander die een verborgen levenswijze leidt onder de grond, onder mos, schors, bladeren, rottend hout en soortgelijke plaatsen. Deze salamanders verlaten hun schuilplaatsen vooral in de nacht bij vochtig weer. A. opacum komt voor in verschillende biotopen zoals in vochtige zandgebieden of op droge hellingen, meestal in de omgeving van water. Voor verder informatie verwijs ik naar PFINGSTEN & DOWNS (1989).


Terrarium

Om de kans op voortplanting te vergroten houd ik meerdere mannetjes en vrouwtjes in een terrarium. In een terrarium van 100x40x40 cm kunnen tien volwassen exemplaren worden gehuisvest. De bodembedekking moet bestaan uit een laag van ten minste 6 cm zand of bosgrond, die voor de salamanders toegankelijk kan worden gemaakt door bijv. stukken schors, turf, hout en takken geheel of gedeeltelijk in te graven. Op deze bodemlaag worden pollen mos, schors, stenen e.d. gelegd,waaronder de salamanders zich kunnen verschuilen. Om de salamanders in goede conditie te houden is het belangrijk dat er voldoende vochtige en droge plaatsen in het terrarium aanwezig zijn. Ook moet er voldoende ventilatie in het terrarium aanwezig zijn, zodat de luchtvochtigheid niet te hoog oploopt. A. opacum kan worden gehouden bij temperaturen van 18-22°C. Alleen in de winter mag de temperatuur dalen tot 10-12°C. Een watergedeelte is overbodig en af te raden om verdrinking te voorkomen.

Voedsel

Het voedsel kan bestaan uit kleine regenwormen naaktslakken, spinnen, krekels, pissebedden, wasmotrupsen, vliegenmaden enzovoorts.

Voortplanting

Larve van de A. opacum.

Op het einde van de zomer en in de herfst trekt A. opacum naar de voortplantingsplaatsen. Mannetjes arriveren daar eerder dan de vrouwtjes. De zaadoverdracht vindt plaats op het land, op de bodem van nog droogstaande poelen of andere moerasachtige plaatsen. Hier zetten vrouwtjes ook hun eieren af in zelf gegraven of reeds bestaande holletje onder plantenresten en onder stenen e.d.. Een legsel kan bestaan uit 50 tot 200 eitjes. Vrouwtjes blijven bij de eitjes en door een afscheiding uit de blaas worden de eitjes beschermd tegen uitdroging. Als de eitjes door regen of waterstijging worden overspoeld, wordt de ontwikkeling versneld. De lengte van pas uit het ei gekomen larfjes is ongeveer 10 mm. Larven kunnen worden gevoerd met watervlooien, Tubifex, muggenlarven en andere in het water voorkomende kleine insecten en hun larven. De larven metamorfoseren na de winter en hebben dan een lengte van zo’n 3 cm. Het voedsel van de jongen kan bestaan uit dezelfde, maar kleinere, voedseldieren als door de volwassen exemplaren worden geaccepteerd. Jongen die in een buitenterrarium werden opgekweekt waren na 15 tot 18 maanden geslachtsrijp bij een lengte van 9 cm.

Tot slot

Deze soort wordt ook door andere salamanderhouders gekweekt (zie o.a. GERLACH, 1997). Hopelijk draagt ook mijn kennis ertoe bij dat we hiermee een gezonde populatie van deze bijzonder mooie dieren in gevangenschap opbouwen.

Summary

Ambystoma opacum is a slender build salamander about 13 cm. long. Males have more silver white marbled spots whereas females are often more silver greyish coloured. During breeding season males have a swollen cloaca. It is found in the eastern part of the United States. A. opacum has a secretive activity pattern as it lives under ground, under moss, rotting logs etc for most of its time. It only comes out when there is a high moisture at night. The author keeps about ten individuals of different gender in a terrarium of 100x40x40 cm. The soil consists of a 6 cm. layer of leaf litter, covered with pieces of bark, wood, moss etc. High moisture is necessary but good ventilation as well. It can be best kept at temperatures around 18-22°C in summertime to 10-12°C in wintertime. A water bowl is not necessary and can even cause drowning. Food consists of worms, crickets, slugs etc. Mating takes place in autumn on land. Females lay their eggs on very moist places and when larvae hatch they must be able to fall into the water. Larvae can be fed on Daphnia. They metamorphose at a length of 3 cm. Young raised in an outdoor terrarium reached adulthood at a length of 9 cm at the age of 15 to 18 months.

Literatuur

GERLACH, U., 1997. Haltung und Zucht von Ambystoma opacum. Elaphe 5: 12-16.

PFINGSTEN, R.A. & F.L. DOWNS (EDS.), 1989. Salamanders of Ohio. Bulletin of the Ohio Biological Survey. New Series, vol 7 (2). 315 p.

© Copyrights 2002 de Salamandervereniging, www.salamanders.nl. De Salamandervereniging staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, te Nijmegen, onder nummer 09126981.

Actueel

Programma 28e Salamanderlanddag – 11 September 2022

11th of September 2022 Dierenpark “De Oliemeulen”Reitse Hoevenstraat 305042 EH Tilburg (The Netherlands)Telefoon 013-46 30 026),www.oliemeulen.nl 9:30                                    Zaal openHall open…

/// lees meer

Huiskamerbijeenkomst op 18 juni 2022

Geachte leden van De Salamandervereniging, Het voorjaar begint ruimte te maken voor de zomer, bij menigeen zijn er al eieren,…

/// lees meer

Omschrijving

De Axolotl is een grote (tot 30-35 cm) neotene salamander. Neotenie houdt in dat ze hun hele leven hun uitwendige kieuwen behouden, net als in het larve-stadium, maar dan wel geslachtsrijp worden. De basiskleur van de wilde dieren is donker grijs met talrijke donkere marmering. In gevangenschap zijn er al vele kleurmutaties ontstaan, mede doordat ze als proefdier in het laboratorium werden gebruikt, en door selectieve kweek.


Het geslacht Ambystoma bestaat uit talrijke, soms zeer op elkaar lijken soorten, waar het vaker gebeurt dat er neotene dieren voorkomen. De meest verwante soort aan de axolotl is Ambystoma tigrinum (tijgersalamander), die zich ontwikkelt als een landbewoner.

Alle axolotls in gevangenschap zijn ook ontstaan uit kruisingen met de A. tigrinum. Axolotls zoals wij ze kennen hebben nog maar weinig gemeen met de ‘originele’ wilde axolotl, en kunnen daarom als gedomesticeerd beschouwd worden.

Er zijn van Ambystoma mexicanum geen ondersoorten beschreven.

Axolotls kunnen metamorfoseren tot een landsalamander door toevoeging van schildklier aan hun dieet. Zo kunnen ze zich ook voortplanten, maar hun nakomelingen zullen weer als een neotene salamander door het leven gaan. Overigens worden gemetamorfoseerde dieren niet erg oud.

Herkomst

Meer van Xochimilco

De Axolotl is inheems in een groot ondiep moerasachtig meer, het Xochimilco-meer in Mexico City, en de daaraan verwante kanaaltjes. Met name door verontreiniging, en het droogleggen van hun habitat is de axolotl met uitsterven bedreigd.

Habitat

Er is niet heel veel bekend over het natuurlijke habitat van de axolotl. De wateren van Xochimilco-meer heeft een modderige bodem en is erg rijk aan planten en dierlijk leven. Temperaturen komen zelden boven de 20°C, en kan makkelijk zakken tot 6-7°C in de winter.

Huisvesting

Axolotls zijn solitair levende dieren, die kleinere soortgenoten als voer beschouwen. Als je meerdere dieren in een aquarium wilt houden, is het belangrijk om dieren van dezelfde grootte bij elkaar te plaatsen. In een aquarium van een meter lang kun je maximaal 3 tot 4 volwassen dieren houden.

Wildkleur Axolotl. Foto: Esteban Acquaviva

Het gebeurt veel, dat axolotls kiezels en kleine keien verorberen. Dit kan tot verstopping leiden, waar ze vaak aan komen te overlijden. Houd hier dus rekening mee tijdens het inrichten met decoratiemateriaal. Als bodembedekker is het standaard grind niet verstandig. Vaak komt het er via de natuurlijke weg wel weer uit, maar grind is vaak scherp, wat tot inwendige beschadigingen kan leiden. Beter is het om deze dieren te houden op fijn zand, caviar-grind (dit is fijn, en rond) of een kale bodem. Zorg voor voldoende schuilmogelijkheden in de vorm van keien (die in ieder geval een stuk groter zijn dan de kop van de axolotl) of hout, wat geschikt is voor aquaria. Ook kunststof aquariumdecoratie is geschikt. Axolotls hebben nog wel eens de neiging om naar elkaar te happen, met als gevolg afgebeten poten of kieuwen. Gelukkig beschikken axo’s over het verbazingwekkende vermogen om missende of beschadigde lichaamsdelen te regenereren. Binnen enkele weken is een lichaamsdeel weer volledig aangegroeid. Zelfs delen van de hersenen en het hart kunnen weer terug groeien. Toch is het beter om dit te voorkomen, aangezien bacteriën en schimmels snel kunnen optreden via een wond.

Axolotls houden van schoon en zuurstofrijk water, wat niet te warm is. Temperaturen van 14-22°C prefereren ze het liefst. Het kwik mag niet voor langere tijd de 24-25°C overschrijden. Dit veroorzaakt stress en vermagering, met vaak schimmel en bacteriële infecties als gevolg.

Voorbeeld van een Axolotl-aquarium. Foto: Meredyth Bennets

1) Deksel (in dit geval een glazen plaat met handvatten);
2) Thermometer
3) Inlaat filter (naar buitenfilter)
4) Uitlaat filter
5) Veel verstopplaatsen en (sterke) planten
6) Fijn zand en substraat
7) Piepschuimlaag en stevige ondersteuning

Voeding

Axolotls eten alles wat maar in hun bek past. Afwisseling is belangrijk. Op deze manier krijgen ze een grotere verscheidenheid aan voedingsstoffen binnen. Regenwormen kunnen als hoofdvoedsel worden gegeven. Maar ook diepvriesvoer (tubifex, rode muggenlarven etc.) wordt gegeten. Ook zijn er axo-houders die hun dieren voeren met niet-natuurlijk voedsel zoals (runder)hart, gehakt en (nest)muisjes. Dit is niet aan te raden omdat het maag-darmstelsel hier niet op berekend is, en het kan leiden tot spijsverteringsproblemen.

Ook vis (geen zeevis) en zoetwatergarnalen kunnen worden gevoerd.

Tegenwoordig zijn er ook zgn. axolotl-pallets op de markt. Dit is een volledig diervoeder speciaal toegespitst op de behoeftes van de axolotl. Indien dit ter afwisseling wordt gegeven kun je ook kiezen voor zalm- of steur pallets.

Voortplanting

Over de voortplanting in het wild is weinig bekend. Met een temperatuurverschil zijn dieren vaak al in stemming te brengen. Voorwaarde is wel dat de vrouwtjes al eieren dragen. Een afkoeling in de temperatuur stimuleert de dieren tot voortplanting. Het maakt niet zoveel uit welke temperaturen worden bereikt, als er maar voor de dieren een duidelijk waarneembare afkoeling is.Dit hoeft voor de verzorger nog niet eens waarneembaar te zijn, die dus voor een hele verrassing kan staan. Het is mogelijk dat de afkoeling in het natuurlijke habitat veroorzaakt word door hevige regenval, en dat dit word nagebootst bij dieren in gevangenschap.

Na het afzetten en opnemen van de spermatoforen begint het vrouwtje gewoonlijk na enkele dagen eieren te leggen (tot zo’n 250 stuks).De eieren worden in kleine trosjes aan planten en ander decoratiemateriaal vastgekleeft.

Het legsel moet worden gescheiden van de ouderdieren, indien men larven op wil kweken. Afhankelijk van de temperatuur, komen de eieren binnen twee weken uit. De larven beginnen te eten, wanneer de dooierzak is opgeteerd. Dit is meestal na enkele dagen.

De larven zijn op te kweken met Artemia-naupliën of kleine watervlooien. Houd niet teveel larven in een bak, maar verdeel ze over meerdere bakken. Met name artemia gaat snel dood in zoet water, wat dus snel verontreinigt. Filteren kan wel maar met een erg langzame uitstroming, aangezien de larven geen beste zwemmers zijn, en niet van stromend water houden.

Wanneer de larven een lengte hebben bereikt van 20 mm, kan groter voer worden gegeven (watervlooien, tubifex, rode muggenlarven, enchytreeën). Bij een lengte van 40 mm kan ook regenwormpjes en diepvriesvoer worden gegeven.

Op de leeftijd van 12 maanden, zijn de dieren meestal al geslachtsrijp.

Varianten

Door de vele generaties inteelt, lijnteelt en genetische experimenten zijn er een aantal kleurvarianten ontstaan. Naast de wildkleur (donkergrijs gemarmerd) zijn er o.a. albino, goud albino, zwart, bont en koper. Doordat deze kleurvarianten door elkaar heen kunnen worden gekweekt, zullen er nog vele kleurslagen volgen.

Deze caresheet is geschreven door Joost van Wijk, naar een vrije vertaling van de caresheet van www.salamanderland.at. Vertaald met toestemming.

Actueel

Programma 28e Salamanderlanddag – 11 September 2022

11th of September 2022 Dierenpark “De Oliemeulen”Reitse Hoevenstraat 305042 EH Tilburg (The Netherlands)Telefoon 013-46 30 026),www.oliemeulen.nl 9:30                                    Zaal openHall open…

/// lees meer

Huiskamerbijeenkomst op 18 juni 2022

Geachte leden van De Salamandervereniging, Het voorjaar begint ruimte te maken voor de zomer, bij menigeen zijn er al eieren,…

/// lees meer

Inleiding

Ecologische observatie’s, literatuurstudie en een eerste kweekverslag rond Ambystoma macrodactylum macrodactylum & A. m. columbianum uit Oregon, USA.

Ambystoma macrodactylum. Foto: Henk Wallays

Ambystoma macrodactylum behoort tot de familie van de molsalamanders ( Ambystomatidae). Deze familie omvat een flink aantal soorten die bijna allemaal opvallen door hun mooie kleur en terzelfdertijd hun vrij verscholen levenswijze. Merendeel van deze soorten leven tijdens de landfase ondergronds en komen in het voorjaar tevoorschijn om zich dan vrij massaal voort te planten in het water.

De larven zijn in de poelen en plassen waar geen vissen voorkomen ook vaak de toppredator van de voedselketen. De naam macrodactylum ( macro = groot, dactylus = ) dankt het dier aan zijn verhoudingsgewijze grote tenen. Ook in het Engels wordt hij de ‘Longtoed’ salamander genoemd. Een echte nederlandse naam bestaat vermoedelijk nog niet, mede omdat deze dieren tot op heden eigenlijk vrij zelden beschikbaar waren. Hopelijk komt door de reeds herhaalde kweekresultaten een verandering in.

Bron: Californiaherps.com

Ondersoorten

1) Ambystoma macrodactylum macrodactylum : De felgele streep van de jonge dieren wordt doffer in volwassen dieren. Mijn nakweek vertoonde enkel een felgele tekening in het eerste levensjaar. Naar de randen toe lost de streep op in de grondkleur, waardoor een ‘echte’ overgang tussen de beide kleuren moeilijk te ontwaren is. Het midden van deze streep breekt met het ouder worden als het ware open en de grondkleur vorm dan een soort zwarte middellijn die typisch is voor deze vorm. De staart bezit geen verkleuring langsheen de zijkanten.

Ambystoma macrodactylum macrodactylum. ©2004 Jeremiah Easter

2) Ambystoma macrodactylum sigillatum : De kleur van de band is in deze ondersoort het felst van alle ondersoorten. De vorm van de streep is vrij variabel en doorgaans smal en kan zowel bestaan uit een diep ingesneden rechte lijn als uit een verzameling van puntjes en vlekken. De vlekken op de snuit zijn meestal kleiner dan deze achter de ogen. De buikpartij is eerder roze-achtig en doorschijnend. Men kan er de ingewanden doorheen zien.

Ambystoma macrodactylum sigillatum. Foto: Connor Long

3) Ambystoma macrodactylum columbianum : De felgele lijn is ononderbroken en vertoont geen insnijdingen, in tegenstelling met de nominaatvorm hebben we geen donkere middenlijn. Op de kop (tussen de neusgaten) verbreedt de gele ruglijn. Zowel op de kop, snuit en oogleden vertonen vele vlekken. Typisch vindt is de sterke gele kleur op de bovenzijde van de staart en soms zelfs‘overloopt’ op de zijkanten ervan.

Ambystoma macrodactylum colombianum. Foto door Andy Kraemer

4) Ambystoma macrodactylum croceum : Deze ondersoort werd pas in 1956 door Russell en Anderson ontdekt in Santa Cruz, Sierra Nevada. Dit kustelijk verspreidingsgebied ligt zowat 600 km ten Zuiden van de andere kustelijke ondersoorten en zo’n 250 km ten Zuidwesten van de andere Sierra Nevada populatie’s., waarvan het geïsoleerd is door de Grote Centrale vallei van California. Croceum dieren bezitten achter de ogen typische oranje vlekken. De ononderbroken rugstreep is bleekoranje en vertoont de neiging om op de kop opgebroken te worden in kleinere verspreide vlekjes, die meermaals ontbreken net achter de ogen.

Deze bijzonder fraaie ondersoort is echter met uitsterven bedreigd en geniet dan ook de meer dan nodige bescherming. Door deze status en het toch wel bijzonder eigenaardige verspreidingsgebied werd behoorlijk wat onderzoek gedaan oa. op het vlak van voortplanting & voedsel. Hierdoor is over deze zeldzame ondersoort eigenlijk meer bekend dan over zijn meer algemene neven. Deze dieren zijn uiteraard voor de liefhebber niet beschikbaar.

Ambystoma macrodactylum croceum. Foto door Brad Alexander

5) Ambystoma macrodactylum krausei : Krausei bezit een rechte analine-gele ononderbroken ruglijn die doorloopt van de snuit tot het staarteinde . Deze band is vrij dun en behoorlijk rechtlijnig. In tegenstelling met andere ondersoorten wordt deze op de snuit niet opgebroken in kleinere vlekjes, wel wordt ze met name in de omgeving van de ogen behoorlijk breder. De vlekken op de oogleden zijn geïsoleerd en zijn hierdoor sterk geaccentueerd. Met een beetje verbeelding denk je aan de uitklapbare koplampen v/e sportwagen.

De eenvoud van deze rechtlijnige indeling wordt echter deels teniet gedaan doordat in de overlappende gebieden tussenvormen voorkomen. In Olympic Peninsula vinden we bvb. exemplaren van de nominaatvorm die eenzelfde rugstreep vertonen als A. macrodactylum columbianum. In Klamath en Lake Counties ( Zuid Centraal Oregon) vinden we dan weer tussenvormen van A. sigillatum en A. columbianum.

Ambystoma macrodactylum krausei. Foto door Kenny Wray

Bemerkingen aan het biotoop van macrodactylum Columbianum in de Columbia River Gorge.

Tijdens de maand april ’98 kon ik met de medehulp van Kurtz Russell, observaties verrichten in Oregon. In de Columbia River Gorge, ontdekten we tussen de ontelbare Hyla regilla larven een groot aantal nog kleine Ambystoma macrodactylum columbianum larven (1,8 tot 2 cm) in een niet-permanente waterplas. De lengte Deze was gelegen in volle zon langsheen de rijweg. De vegetatie bestond vnlk. uit een slijmerig wilde algengroei tussen een aantal grasachtige moerasplanten. We noteerden geen echte waterplanten, vermoedelijk omdat de plas in de zomer uitdroogt.

De watertemperatuur bedroeg 19°C, de luchttemperatuur ongeveer 30°C. Volwassen dieren ontbraken volledig, deze hadden zich bij deze temperaturen –die niet zo veel onder de kritische temperatuur lagen- waarschijnlijk ondergronds teruggetrokken in de aangrenzende grasvelden. Hiervoor situeren ze zich in de eerste 40 cm diepte en gebruiken frequent tunnels van kleine knaagdieren, waarvan ze wegens hun huidsecreet niets hoeven te vrezen..

Anderson J.D. voerde hierrond overigens heel wat onderzoeken uit ao. de predatie van Ambystoma macrodactylum croceum door de mol (Scapanus latimanus). Deze anders erg vraatzuchtige mol, die zonder schralen in zijn dieet ook wormachtige Batrachoseps salamanders opneemt, weigerde juveniele en zelfs op een pincet aangeboden larven van A. croceum. Onder heen enkel beding raakte de uitgehongerde mol de salamanders aan, beter nog, hij kroop zelfs terug indien de buit hem te dicht werd aangeboden.

Bemerkingen aan het biotoop van A. macrodactylum macrodactylum in Eugene, Oregon

In diezelfde periode vonden we in een open grasveld Eugene een klein grachtje van het permanente type. De afwezigheid van waterplanten verklaarde Russell was te ‘danken’ aan een opkuisbeurt in het vorige jaar. Het water was licht troebel, men kon enkel grote vormen waarnemen. Op sommige plaatsen begon het kransvederkruid (Myriophylum sp.) zich op een bescheiden manier terug te ontwikkelen. Langsheen de zijkanten tussen de grassen vonden we kleine klompjes eitjes die zowel van A. macrodactylum macrodactylum als Hyla regilla konden zijn. Beide dieren zettten nl. op dergelijke wijze hun zachte gelei-achtige eitjes af.

Hoogstwaarschijnlijk betrof het echter Hyla regilla aangezien Ambystoma macrodactylum macrodactylum eigenlijk veel vroeger afzet. Na een paar schepbeurten die vooral onder de weinige waterplanten vondsten opleverden, waren we een 20 tal Ambystoma macrodactylum macrodactylum larven rijker. De dieren maten 4.5 tot 5 cm lang en waren hiermee dichtbij hun metamorfose belandt. Net zoals bij het Ambystoma macrodactylum columbianum biotoop noteerden we de massale aanwezigheid van Hyla regilla larfjes. Gezien de snelle ontwikkeling van de Ambystoma macrodactylum macrodactylum larven lijkt het mogelijk dat deze kikkervisjes of zelfs de eitjes een veelgebruikte voedselbron zijn …

Langsheen de zijkanten van een moeras vonden we een 10 tal even ongelukkige Tamnophis sirtalis , ze hadden het ook graag anders gezien, zij het om duidelijk minder vredelievende redenen .

Een grote afvalhoop achter deze gracht was nog een stille getuige van de verbouwingswerken die vorige jaren aan de nabije kerk waren uitgevoerd. Deze opeengestapelde afval was wild overgroeid met een ondoordringbare jungle van (klim)planten. Hoogstwaarschijnlijk keken enkele adulte dieren vanuit hun veilige schuilplaats onze verwoede maar ijdele pogingen met veel plezier na.

We bekeken nog een aantal moerasgebieden, tijdelijke plassen en poelen, maar in al deze gebruikelijke biotopen, die volgens Russel in het vroege voorjaar wel A. macrodactylum verbergen, kwamen we echter te laat. De lente van ’98 was ongebruikelijk warm geweest, terwijl de temperaturen normaal 12 tot 15°C waren, wezen sommige metingen tot wel 32°C aan. Onder dergelijke temperaturen waren de larven vermoedelijk al gemetamorfoseerd en de adulte dieren hadden hun naam molsalamander terug alle eer aangedaan.

Het is alsof Taricha granulosa & A. macrodactylum, die beide hun eitjes afzetten in stilstaand water, elkaar mijden. In geen enkel van de zowat 15 door ons onderzochte poelen vonden we de larven van beide soorten samen. Terwijl Taricha granulosa blijkbaar eerder diepere & permanente waterplassen gebruikt, lijkt Ambystoma macrodactylum macrodactylum zich hoofdzakelijk te beperken tot die waterplassen die tijdens de zomer wel uitdrogen … In een diepere gracht van het permanente type vonden we bvb. in Eugene tot 5,5cm grote Taricha granulosa larven.

Inrichting terrarium

A. macrodactylum heeft een vrij hoge vochtnood, die kan wel verschillen per ondersoort. Tijdens een onderzoek naar de vochtigheids behoefte van 3 ondersoorten door Anderson (1972) blijkt dat A. croceum (die tevens in een warmer klimaat vertoeft) een behoorlijk lagere vochtnood bezit dan de nominaatvorm en A. krausei. Deze vochtnood verschilt ook per periode : terug bij A. croceum lag deze tijdens de voorplantingsfase, heel wat hoger dan erbuiten.

Uitgaande van mijn terrarium ervaringen met en de observatie’s aan hun leefomgeving hou ik de dieren in een soort van waterkant-biotoop. De bodem van de bak bestaat uit (vijver)grind wat naar achter toe opgehoogd is. Op deze verhoging – die ongeveer de helft van de bak beslaat- worden brokstukken van snelbouwstenen gelegd tot een paar centimeter van de rand. Deze uit lavasteen gemaakte stenen hebben grote open ruimtes waarin de dieren zich graag verschuilen.

Met op elkaar geplaatste dakpannen kan vermoedelijk ook hetzelfde effect verkregen worden. Tussen en op deze stenen wordt vervolgens spaghnumachtig mos gelegd, wat ik tijdens de lente en herfst tussen de beschaduwde plaatsen van het gazon uithaal. De stenen staan met hun voeten in het water en leveren door hun capillaire werking de nodige vochtigheid af aan het mos. De bak wordt volledig afgesloten met een dekglas en in een ietwat beschaduwde hoek geplaatst.

Op deze wijze wordt een vochtig omgeving met een vrij stabiele temperatuur gecreëerd. Enkele varens en indien voldoende licht aanwezig is, wat Ficus repens geven een dergelijke bak een natuurlijk uitzicht. Er dient met zorg op gezien te worden dat het directe zonlicht de bak niet raakt, anders stijgen de temperaturen (te) snel en dat kunnen deze dieren nu net niet hebben. Howard & Wallace (1983) bepaalden proefondervindelijk dat de kritische maximale temperatuur (d.i. de temperatuur waarbij de dieren afsterven) tussen de 33.2°C en 35 °C ligt, met een kleine variatie, afhankelijk van de hoogte van de vindplaats en de oorspronkelijke temperatuur waarbij de dieren initieel gehouden werden.

Voor het correct houden van deze soort dienen dergelijke hoge of snelle opsprongen in temperatuur (vnlk in de zomer) met zorg vermeden te worden. Dit kan gedeeltelijk opgevangen worden door het inbouwen van ondergrondse schuilplaatsen, wat dan ook een benadering is van hun natuurlijke levenswijze. Na enkele minder geslaagde try-outs, hou ik mijn dieren nu al enkele jaren succesvol op deze wijze, zonder uitval. Bij andere opstellingen oa. een bosbiotoop liep al vrij snel iets mis. De dieren schijnen net als mijn Hynobius een dergelijke drijfnatte omgeving erg te appreciëren. Ze zijn wel vrij gevoelig voor hogere temperaturen (> 25°C) en dienen derhalve best bij ‘veilige’ lagere temperaturen gehouden te worden

Voedsel

Anderson (1968) bestudeerde het voedingsgewoontes van volwassen en larven van 2 A. macrodactylum – ondersoorten, hieruit blijkt dat Arthropoden mn. Isopoden 50% van het voedsel uitmaken voor A. croceum. Vooral in de drogere periode is dit dier aangewezen op deze dieren, die dan in dezelfde vochtige omgeving in grote getallen voorkomen. In de nattere periodes worden duizendpoten, kevertjes, spinnen en wormen verorberd. Het A. siggilatum dieet bestaat daarentegen vnlk uit spinnen en insecten ipv isopoden.

In gevangenschap voer ik mijn volwassen dieren vnlk regenwormen, naaktslakken, meelwormpjes, muggenlarven, buffalo wormen, pissebedden, duizendpoten en vliegenmaden. Het zijn vraatzuchtige rover en de prooien worden tevens fel achterna gejaagd. In de plassen waar vissen afwezig zijn vormen de larven de toppredator. De juveniele dieren bvb. kijken telkens weer met veel interesse omhoog als ik het deksel van de bak oplicht. Tijdens het voederen komen deze dan zonder schroom uit hun schuilplaats om zich –letterlijk- op de prooidieren te storten. Terwijl het normaal vrij verdraagzame dieren zijn t.o.v. elkaar, bijten ze tijdens het voederen wild om zich heen om zo een hapje voor zichzelf te kunnen ‘reserveren’.

Voortplanting

In de natuur is Ambystoma macrodactylum een van de eerste actieve amfibieën. Men vindt ze reeds in plassen die nog overdekt zijn met ijs. Het zal dan ook niet verwonderlijk zijn dat deze dieren ook in gevangenschap reeds bij de prille eerste lentezon ‘in hun vel’ voelen … Je vindt de anders zo schuchtere dieren plots samen in het water. Eerst komen de mannetjes, daarna pas de vrij dikke zwangere vrouwtjes … net zoals in de vrije natuur.

Voortplantingswater in juli, 8,400 voet, Alpine County. Bron: Californiaherps.com

De buikpartij van de dieren is quasi transparant zodat het controleren op eitjes bij de vrouwtjes een makkelijke klus is : je ziet de witte ronde wolken dwars doorheen de huid.Tijdens de herfst ’95 werden de dieren binnengebracht in een onverwarmde (huis)kamer. De watertemperaturen schommelden tussen 12 en 14°C. Na raadpleging van de literatuur ( K. Rimmp) bleken de dieren tot voortplanting gebracht te kunnen worden door een plotse koude vochtige lucht. Aangezien ze volgens diverse naslagwerken de kou goed kunnen verdragen hoefde ik ook niet bang te zijn om ze onder te brengen ik het tuinhuis, wat uiteindelijk op 14/1/96 gebeurde. In een aquarium van 80 op 35 cm plaatste ik 3 duidelijk zwangere vrouwtjes met ongeveer een 10 tal bronstige mannetjes.

De temperaturen bedroegen toen ongeveer 4°C. Door de geringe hoogte van de bak (ongeveer 20 cm) en het afsluiten ervan met een glasplaat bekwam ik de koele en vochtige (ijs)koude lucht. De dieren verbleven overdag op het land tussen de stenen. Slechts ‘s nachts gingen ze te water. Op 20 januari ontdekte ik reeds het eerste legsel van 94 eieren, die bijna allemaal werden afgezet op de drijfplanten (zie dia’s), meerbepaald op de wortels en langsheen de stengels werden hier en daar reeksen eieren gekleefd. Bij afwezigheid van planten in de bak denk ik dat een stevig lint of koord ook gebruikt kan worden. In Amerika gebruikt men deze methode nogal, omdat je dan gemakkelijk de eitjes kunt verwijderen door langsheen het lint met je vingers te glijden. Vooral bij A. talpoideum wordt deze truc gebruikt.

Ook op de overhangende Ficus repens vond ik (enkele) eitjes. Deze zijn vrij klein en tweekleurig. De bovenzijde is zwartbruin, de onderzijde is gebroken wit. Misschien speelt deze tweekleurigheid een rol in de intensiteit van het ontvangen licht voor de kern. Bovenaan wordt veel licht gefilterd door de donkere kleur, onderaan laat de lichte kleur meer licht door. Als resultaat krijgt de kern dan een evenredige lichtinval. Of hypothetiseer ik er maar op los ? Het viel me ook op dat de eitjes vrij dicht tegen het wateroppervlak werden afgezet. De manier van eiafzet kwam goed overeen met doe van bvb. de Axolotl (Ambystoma mexicanum) een mexicaanse grotere neef.

Op 22 januari werden ongeveer 31 eitjes in de onverwarmde kamer binnengebracht. De watertemperatuur was op dat moment 15°C. Er werden nog 64 eitjes in de afzetbak achtergelaten. Ik kon geen vraatzucht bij de ouderdieren waarnemen, ze lieten de eieren ongemoeid.

Op 27 januari vertoonden de eitjes reeds een kommavormige ontwikkeling. De watertemperatuur was toen 12°C. De achtergebleven eitjes in het tuinhuis vertoonden bij 2 tot 4°C nog geen enkel teken van evolutie. Er werden uiteindelijk geen verdere eitjes meer afgezet. Mogelijke oorzaken : de sterke daling van de buitentemperatuur (van 6 tot –6°c overdag), ofwel de te lage waterstand in de bak (6cm) ; wegens tijdsgebrek had ik nog geen kans gezien om het water wat gebruikt werd voor de verwijdering van de 31 eitjes weer aan te vullen. Aangezien de eitjes binnenshuis probleemloos en tegen grote snelheid evolueerden werden de overige eitjes ook binnengebracht op 29 januari.

Losgekomen eitjes die op de grond van de bak vallen leken minstens achterop te lopen in evolutie, het merendeel hiervan stierf af. Grote licht en/of zuurstofbehoefte ?

Opkweek : larven

Het opkweken van de larven bleek vrij eenvoudig. Daar in gevangenschap de concentratie’s behoorlijk hoger ligt dan in de natuur is waterverversing wel (erg) belangrijk. Bij temperaturen van 13 tot 16°C duurt de ontwikkeling van de 1 cm grote larve tot landfase ( ongeveer 4,5 a 5cm) doorgaans maximaal 2 maand, wat vergelijkbaar is met Ambystoma opacum. Voor een dergelijke snelle evolutie dient men echter wel frequent het water te verversen en voor een goede regelmatige voeding te zorgen.

Voor een goede groei van de dieren is het tevens belangrijker om regelmatig te voederen dan alle voeding ineens 1 maal per week aan te reiken. Vooral daphnia’s en later muggenlarven spelen een voorname rol. De grootte van de daphnia’s wordt afgespiegeld op de grootte van het oog van de larve. Om de goede grootte te verkrijgen, gebruik de artemia of daphnia zeefjes. Naar het einde van de metamorfose toe werden ook stukken regenworm gevoederd. De frequentie van de waterverversing dient opgedreven te worden naarmate de dieren groter worden, immers ze eten meer en zetten dus ook meer afvalstoffen af. Terwijl in het begin het water pas na 2 weken werd ververst, gebeurde dit naar het einde toe iedere 3 tot 4 dagen.

De eitjes werd in 2 verschillend ingerichte plastieken stapelbakjes opgekweekt : 1 met een grondlaag (A) en 1 zonder (B). Ietwat tegen mijn verwachtingen in bleken de larven in de kale bak B sneller te evolueren dan in bak A. De muggenlarven konden zich in bak B nl. niet ingraven, waardoor het voedsel veel langer aanwezig was. De constante aanwezigheid van voedsel betekent zeker een stevig pluspunt.

In de literatuur wordt regelmatig melding gemaakt van kannibalisme (Ambystoma macrodactylum columbianum). Zo noteerde Walls ea. (1993) dat zich tussen larven van deze ondersoort in het laboratorium 2 vormen ontwikkelden : normale larven met smalle kop en larven met een langere en bredere kop. Deze laatste bleken kannibalistische larven te zijn die ( bij voorkeur) op hun ‘kleinere’ soortgenoten aasden. Ook bij de Ambystoma tigrinum groep ontwikkelen zich dergelijke alternatieve larve-vormen, meerbepaald in de nominaatvorm , mavortium en nebulosum.

Larve. Foto door Gary Nafis

Nishihara rapporteert dat bij Hynobius retardatus een dergelijke kannibalistische vorm zich eerder onder hoge larven concentratie ontwikkeld (Nishihara, 1996). Andere auteurs die hierover ook rapporteren zijn : Powers 1907, Collins J.P. & Cheek J.E. 1983. Eigenaardig genoeg blijkt de predatie zich niet onder dieren van eenzelfde legsel voort te doen, men spreekt van ‘kinship recognition’ ( Pfennig D.W. & Collins J.P. 1993) m.a.w. broers en zussen herkennen elkaar als het ware. Bij mijn nakweken nam ik tot op heden geen cannibalisme waar, dit ofwel wegens de hoge voedingsfrequentie, ofwel vanwege het ‘kinship-recognition syndroom’.

Opkweek gemetamorfoseerde jongdieren

Eenmaal de dieren gemetamorfoseerd zijn werden ze ondergebracht in een kleine bak (20 op 30 cm). Een opkweekbakje voor net gemetamorfoseerde dieren kan een miniatuurversie zijn van de bak voor de adulte dieren. Hier moet echter nog meer dan bij de volwassen dieren toegezien te worden op een voldoende hoog aantal schuilplaatsen daar ze vooral bij het voeden vrij agressief tekeer gaan. Doorgaans wordt het bakje volgepropt met bouwstenen (met ventilatieopeningen) en pakken vochtig mos. Het bakje wordt hermetisch afgesloten zodat de (nodige) vochtigheid aanwezig blijft.

De jongen werden 2 tot 3 maal per week gevoederd. Telkenmale het bakje open ging kwamen de hapgrage mondjes boven. Niet zelden wordt zelfs voor dat voedsel in de bak aanwezig was naar elkaar gebeten, de bedoeling was duidelijk om zoveel mogelijk concurrentie op voorhand te verwijderen. Omdat het er soms ruw aan toe ging bracht ik de dieren onder in een bak met een drijfnatte bodem van sphagnum. Daarop werd vermolmd hout en mos geplaatst. Een dergelijk substraat is nl. vrij zuur en belet de ontwikkeling van bepaalde bacteriën.

Finaal slaagde ik erin om 48 dieren groot te brengen (50%). Deze werden verspreid over een aantal Franse, Nederlandse en Engelse salamanderliefhebbers. Een jaar later werd ik verwittigd dat de dieren zich reeds bij een Franse vriend hadden voortgeplant, ze waren toen amper meer dan 1,5 jaar oud. Ook ginds leverde de opkweek weinig problemen op. In 2000 mocht ik mijn eerste F-2 generatie opweken (25 stuks). Ook vanuit de Franse hoek blijkt dit gelukt te zijn.

Ziekte

Kort na de eerste nakweek ervaringen ontwikkelde zich in mijn adulte groep een schimmelinfectie op de staart van mijn dieren. Deze ziekte verspreidde zich (in de drijfnatte omgeving) razendsnel onder de andere dieren. Symptomen : op de staart ontwikkelde zicht een grote grijze schimmel, de staart viel af. Daarna ontwikkelden zich op het lichaam open wonden en de dieren stierven af.

Omdat ik op dat moment geen toegang had tot mensen met de nodige medische kennis probeerde ik –tevergeefs- om de dieren te redden door ze op verhakselde sphagnum grond te zetten. Met een gevoel van machteloosheid moest ik toezien hoe ik mijn volledige kweekgroep binnen een periode van 3 weken afstierf. Ik slaagde er gelukkig genoeg in om mijn nakweekdieren hiervoor te vrijwaren. Zoals hierboven vermeld zorgen deze ondertussen voor verdere nakweek, waardoor we deze dieren verder in de hobbykring kunnen behouden.

Literatuur

Anderson J.D., 1963, Reactions of the Western Mole to skin secretions of Ambystoma macrodactylum croceum, Herpetologica 19(4), 282/284

Anderson J.D. , 1968, A comparaison of the food habits of Ambystoma macrodactylum sigillatum, Ambystoma macrodactylum croceum and Ambystoma tigrinum californiense

Anderson J.D. 1972, Behavior of three subspecies of Ambystoma macrodactylum in a soil moisture gradient, Journal of Herpetology 6(3-4), 191/194

Collins, J.P., Cheek J.E., 1983, Effects of food and density on development of typical and cannibalistic salamander larvae in Ambystoma tigrinum nebulosum, Amer.Zool. 23(1) : 77-84.

Howard James H. & Wallace R.L, 1983, Critical Thermal Maxima in Populations of Ambystoma macrodactylum from different elevations, Copeia 400/402

Nishihara, A. 1996. High density induces a large head in larval Hynobius retardatus from a low density population. Japanese Journal of herpetology 16(4) : 134-136

Pfennig, D.W. en Collins J.P., 1993, Kinship affects morphogenesis in cannibalistic salamanders, Nature 362(6423) : 836-838.

Powers, J.H., 1907, Morphological variation and it’s causes in Amblystoma tigrinum, Stud.Univ.Nebraska 7(3) : 197-274.

Walls S.C, Beatty J.J., Tissot B.N., Hokit D.G., Blaustein A.R ., 1993, Morphological variation and cannibalism in a larval salamander (Ambystoma macrodactylum columbianum), Canad J. Zool (71), 1543/1551

Actueel

Programma 28e Salamanderlanddag – 11 September 2022

11th of September 2022 Dierenpark “De Oliemeulen”Reitse Hoevenstraat 305042 EH Tilburg (The Netherlands)Telefoon 013-46 30 026),www.oliemeulen.nl 9:30                                    Zaal openHall open…

/// lees meer

Huiskamerbijeenkomst op 18 juni 2022

Geachte leden van De Salamandervereniging, Het voorjaar begint ruimte te maken voor de zomer, bij menigeen zijn er al eieren,…

/// lees meer
Back To Top

Wie is online

Op dit moment zijn er geen leden online